De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
("Afdeling") heeft op 10 februari 2021
een opvallende uitspraak gedaan. In deze uitspraak oordeelt
de Afdeling dat verbeurde bestuursrechtelijke dwangsommen die na
verjaring van de bevoegdheid tot invordering van de dwangsommen
zijn betaald, onverschuldigd betaald zijn (r.o. 7.5).
Het oordeel van de Afdeling is opvallend, omdat hieruit volgt
dat de verjaring volgens de Afdeling dus kennelijk ook op de
betalingsverplichting ziet; niet (alleen) op de
mogelijkheid om betaling af te dwingen (de bevoegdheid tot
invordering).
Dit oordeel van de Afdeling lijkt mij niet in lijn met de
parlementaire geschiedenis. In de memorie van toelichting staat
(Kamerstukken II, 29 702, nr. 3. p. 53):
"Daarna [dus na afloop van de verjaringstermijn, RO]
blijft - evenals in het privaatrecht - een natuurlijke
verbintenis bestaan (de zogenoemde zwakke werking van de
verjaring). Wat na afloop van de verjaringstermijn wordt